Bij Uitgeverij van Oorschot is een paar weken geleden een boek verschenen met als titel Crapuul van de hand van Frank Bokern. Het gaat over een krottenwijk gelegen binnen de oude stadswallen van Maastricht.

Ik heb de eerste jaren van mijn leven als Montessori-leraar in Amsterdam gesleten. Daarna kwam ik in Maastricht terecht, waar ik omstreeks 1970 werk vond bij de RK Lagere Montessorischool voor jongens en meisjes in de Stokstraat op nummer 46. Dat was om een aantal redenen iets bijzonders. In de eerste plaats omdat er maar erg weinig Montessorischolen in Zuid-Nederland waren in die tijd. En een school voor jongens en meisjes kwam ook maar weinig voor. In de meeste lagere scholen werd lesgegeven aan jongens en meisjes in aparte scholen. Jongensscholen en Meisjesscholen dus met paters en nonnen als leraar. Meestal tenminste, je had ook leken. Dat maakte op mij als Amsterdammer een echt ouderwetse indruk. Maar goed, daar had ik in de Stokstraat geen last van.

Met de Stokstraat en de directe omgeving was iets merkwaardigs aan de hand, Van oorsprong stonden er patriciërs huizen. Met een poort waardoor de patriciërs met hun koets naar binnen reden om hem daarna op de binnenplaats te stallen. Verder is het van belang om te weten dat Maastricht in oude tijdens een vestingstad was. Buiten de stadsmuren mochten geen huizen gebouwd worden. Ze lagen allemaal goed beschermd achter de stadsmuren.

En verder wil ik nog noemen dat Maastricht de oudste echte industriestad van ons land is. En dat ging gepaard met de nodige ellende. De zich ontwikkelende industrie had behoefte aan arbeiders. De stadsbevolking breidde zich dus aanzienlijk uit. Maar de arbeiders moesten wel allemaal binnen die stadsomwalling wonen. Daarbuiten mocht je geen woningen zetten. De captains of industry uit die jaren werden puissant rijk. Petrus Regout was zo’n rijkaard. Hij maakte aardewerk. Of liever: hij liet het maken door zijn arbeiders, die hij een schamel loontje betaalde. Vaak waren die arbeiders nog kinderen, die het met nog minder loon moesten doen.

Het standbeeld van Regout staat voor zijn aardewerkfabriek De Sphinkx in de Boschstraat. We zijn dezer dagen nogal eens van het weghalen van standbeelden van mensen die in onze hedendaagse ogen geen standbeeld verdienen. Ik heb nog een kandidaat!

De patriciërs huizen stonden er nog in de Stokstraat, maar de buurt raakte in verval. Geen koetsen meer, weg paarden. De binnenplaatsen bleven. En op die binnenplaatsen werden nu huisjes gebouwd. Zoveel mogelijk, want huisjesmelkers zijn van alle tijden. Er ontstond een krottenwijk waar de laagstbetaalden in krotten samenhokten en de prostitutie welig tierde.

Ik begrijp van Bokern dat het stadsbestuur door de jaren heen niet echt stond te springen om die situatie te verbeteren. Socialisten als Willem Vliegen trokken zich in die tijd het lot van de armen wel aan en probeerden de situatie van de bewoners van het Stokstraatkwartier met acties die ze uitvoerden te verbeteren. De mogelijkheid tot betere huisvesting ontstond wel toen het verbod om buiten de wallen te bouwen kwam te vervallen. Er ontstonden nieuwe stadswijken, bij voorbeeld het Wittevrouwenveld, waar de krotbewoners van de binnenstad geherhuisvest konden worden.

In het Stokstraatkwartier bleken toen best mooie panden te staan, die ijverig gerenoveerd werden nadat de krotten op de binnenplaatsen gesloopt waren. Na zo’n renovatie woonde er ander volk. Bij voorbeeld de cabaretier Toon Hermans tegenover de school. Als hij jarig was zette mijn collega Eugenie Hochstenbach de ramen van haar lokaal open en werd de bekende Nederlander vanuit haar klas door de kinderen toegezongen. Waarna zijn traktatie volgde. Eug. had overigens als kind van haar vader te horen gekregen, dat ze nooit in de Stokstraat mocht komen, omdat daar verkeerd volk – Crapuul – woonde, lees ik in het boek. Gelukkig heeft ze zich daar later niet aan gehouden. Anders was Toon Hermans zijn serenade misgelopen en waren wij nooit collega’s geworden.

Het Stokstraatkwartier ontwikkelde zich tot een vermaard, luxe en exclusief winkelcentrum, waar duizend euro voor een handtasje een snepke is. Die upgrade naar het luxe en exclusieve gold overigens niet voor de staat waarin het schoolgebouw verkeerde toen ik er pas werkte. Het was er wel erg gezellig en we hadden er een fijne tijd samen. Maar het gebouw verkeerde in een abominabele staat. Het werd verwarmd met oliekachels. Als je dienst had – en dat was vaak want het team van leraren was nog klein – dan moest je in de winter op zondag naar school om de kachels aan te steken. Daar konden steekvlammen van wel een meter lang uit naar buiten komen. Collega Riet Prinz heeft er eens een over zich heen gehad. Gelukkig heeft ze het overleefd. We kregen direct centrale verwarming.

Ook overdag waren die kachels echte paskwillen. Verbranden, dat kost zuurstof. Op het eind van de dag soesden de kinderen dan ook weg en moest er een raam open. Dat is dan weer contraproductief als je de zaak warm wilt houden.

De restauratie werd desondanks als afgerond beschouwd. De zaak was klaar en Prins Claus kwam het zaakje officieel openen. Maar een school is een school: groep vijf moest naar schoolzwemmen en miste zo het koninklijke bezoek.

Ik sluit af met de titel van het boek te verklaren. Crapuul komt van het Franse woord crapule. Daar zijn veel vertalingen voor. Laten we het op Schorriemorrie houden. Als ik naar de kaft van het boek kijkt, dan overvalt me een zekere vertedering. Zal wel aan de sympathie die ik voel met de jaren vijftig liggen. Dat crapuul valt in mijn ogen dan wel mee.

4 Reacties

  1. Fred Kelpin

    Dank voor je reactie. Ruud. We moeten maar gauw weer eens bellen.

    Reageren
  2. Henriëtte Kors

    Mooi verslag Fred. Leuk om te lezen! Deze zomer ga ik met pre pensioen. Blijft een mooi vak leerkracht, ga mijn kinderen missen…

    Reageren
    1. Fred Kelpin

      Dank voor je reactie, Henriëtte. En veel succes als gepensioneerfe.

      Reageren
  3. Ruud Meure

    Ik kwam in 1962 als recruut op voor militaire dienst in Maastricht. Een van de voorschriften was het verbod om je als militair op te houden in de Stokstraat, op straffe van het ondergaan van een gevangenis straf in Nieuwersluis
    Geen gevangenisstraf gekregen. In plaats daarvan was ik de enige van de lichting 1962-3 opkomst 3000 dienstplichtigen die geschikt was voor de commando-opleiding in Roosendaal. De Groene Baret mag ik tot op de dag van vandaag nog steeds dragen. Het certificaat vermeldt: Gerechtigd tot het dragen van de Groene Baret op grond van mijn karakter-eigenschappen
    De keuze was dus een bezoek aan de Stokstraat of het Korps Commando Troepen

    Reageren

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.