De Taalsymbolen

taalsymbolen eerste kaart bol ww piramide znwTaalsymbolen zijn afgeleid van twee geometrische lichamen; de bol en de vierzijdige piramide. Op de plaatjes hierboven is de bol rood en de piramide zwart. Maar je kunt ook de blauwe lichamen uit het mandje met de geometrische lichamen gebruiken. Dat deed Mario Montessori ook toen ik in 1964 een taalcursus bij hem volgde. De bol staat voor dynamiek. Hij is beweeglijk. Je kunt hem over de tafel rollen. De bol wordt in de taalsymbolenlijst weergegeven als een cirkel. De piramide is een statisch lichaam. Hij rolt niet over de tafel. Als je hem wilt voortbewegen moet he hem schuiven. De cirkel, dat is het werkwoord. Er is nog een cirkelvormig taalsymbool. Een kleinere oranje cirkel. Dat is het bijwoord. De zwarte driehoek is het zelfstandig naamwoord. Een statisch element in de zin.

Familie Zelfstandig Naamwoord montessori taalsymbolen

Het zelfstandig naamwoord maakt deel uit van een ‘familie’ van woorden die bij het zelfstandig naamword horen. Net zoals het bijwoord bij het werkwoord hoort. De familie zelfstandig naamwoord bestaat uit het bijvoeglijk naamwoord en het lidwoord. In het Nederlands hebben we het telwoord ook nog een apart symbool gegeven. Dat is de lichtblauwe driehoek. Er is ook nog een paarse gelijkbenige driehoek. Dat is het voornaamwoord. Je kunt zeggen ‘Jan lacht’. Jan kan vervangen worden door hij. De zin wordt dan ‘Hij lacht’. Het zelfstandig naamwoord Jan is vervangen door het voornaamwoord hij.

De resterende symbolen verbinden de elementen in de zin. Het zijn een roze streepje, het voegwoord. Een groen halvemaanvormig symbool, het voorzetsel. En een gouden symbool in de vorm van een sleutelgat, het tussenwerpsel. Je ziet met name deze symbolen vaak verkeerd gebruikt worden. De halve maan met zijn rug naar boven. En het tussenwerpsel zou een uitroepteken zijn. Leuk bedacht , maar niet door Maria Montessori.

Het idee om behalve de piramide en de bol ook de andere taalsymbolen in drie dimensies weer te geven is een overbodigheid. Ik zou mijn geld besteden aan iets dat niet overbodig is.

Met de taalsymbolen kun je teksten ontleden. Gedichten hebben vaak een meer dynamisch karakter. Je ziet veel cirkels in de tekst. Als je een wetstekst analyseert, dan zie je veel meer driehoeken. Behalve voor deze tekstontleding worden de taalsymbolen in de onderbouw in combinatie met de boerderij gebruikt. En in de middenbouw in combinatie met de taaldozen.

1 Reactie

  1. Fred Kelpin (Auteur bericht)

    En inderdaad: Het voorzetsel zou een bruggetje verbeelden en het zou daarom met zijn rug naar boven geplaatst moeten worden schrijft men mij. Ik had het al voorspeld. Maar het is niet waar. Nadat zijn moeder was overleden in 1952 begon Mario Montessori Sr. al het materiaal in blueprints vast te leggen. In maart 1954 was hij aan de taalsymbolen toe. Hij tekende geen bruggetje maar een ‘maanvormig symbool’ zoals hij het noemde. En met de puntjes ophoog. Zo leerde ik het een paar jaar later van Betty van Wesep tijdens mijn Montessoriopleiding in Amsterdam. Nederland is een waterrijk land met veel bruggetjes. Maar dit is een brug te ver.

    Reageren

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *